DSC_0320.JPG





 
Ik woon in een bos met lawaai. De N34 ontwaakt vroeg in ochtend en pas na middennacht vind ik stilte. Het wordt kouder en ik trek de deur achter me dicht. Nu lijkt het bijna stil. Enkel een geluid van de gaskachel en mijn malende kaken op Amsterdams beste brood.

Waar normaliter het ruizen van de wind door het blad de stilte buiten kan doorbreken, wordt dit nu ernstig verstoord door het geknetter van de elektriciteitskabels, die bedrukte lijnen boven mijn horizon vormen. Links het beeld instekend, rechts eruit of andersom. Door de beslagen ramen van mijn cabin tel ik er elf. Twee maal vier, geleid door een vierkantje ter voorkoming van een enorme kortsluiting, drie losse kabels op evenwijdige afstand van elkaar eronder. Het wordt langzaam donker en de contouren van mijn zicht verzachten. Ik overpeins het begrip oer.

De zandverstuiving waar ik op uitkijk vertoont merkwaardige sporen. Auto of squad reet het prachtig natuurschoon open. In gedachte trek ik een parallel tussen wat ik zie en een geluidsloze video-installatie die ik in 2003 toonde tijdens mijn afstuderen, waarin twee gele bulldozer herhalende bewegingen maakten in een zanderig bouwproject. Samen vormden ze een gesloten systeem van aan- en afvoer; de verandering is continue, in wezen veranderde er niks.

Het bos schreeuwt van kleur, alsof het haar laatste herfst is. Bladeren houden vast aan takken, willen nog niet loslaten. Het is het bos en ik, maar ik ben hier niet alleen. Harm Santing is de eerste passant die aanklopt bij de P.A.I.R. Hij is nieuwsgierig naar wat dit te betekenen heeft. Ik geef hem een uitnodiging en dan hij valt over de tekst ‘de schop ter hand genomen wordt’. Ik leg iets uit over de plannen van Maurice op deze verstuiving. Harm is zichtbaar aangedaan. “God heeft de wereld geschapen, maar de Nederlander heeft Nederland geschapen. Wat hier gebeurt is, mag nooit vergeten worden.” Zijn rechter arm komt hierbij een heel stuk los van zijn lichaam. Ik laat hem merken dat ik geinteresseerd ben en hij nodigt mij uit bij hem thuis. Een schuw nachtdier klopt bij hem aan.

Harm woont in een arbeiderswoning aan de Valtherzandweg in de wijk de Emmermeer, grenzend aan mijn bos. Deze naoorlogse wijk werd vernoemd naar het meer dat hier ooit was. Lang geleden was Emmen ongebreidelde natuur. Een moeras dat door Harm’s voorouders met hand en schop is afgegraven. Onder dit moeras, op drie á vijf meter diepte, bevond zich het veen. Deze werd afgestoken en gedroogd. De turf diende als brandstof in kachels, machinefabrieken of stoommachines, voornamelijk in het westen van het land. De arbeiders zelf hadden weinig profijt van hun inspanningen.

Harm’s interieur is sober, er komt weinig licht door de vitrage naar binnen. Ik ga zitten op een leren fauteuil en leg het aangebroken pak speculaas naast me neer, want de salontafel ontbreekt. Het ruikt er naar gebraden speklappen. Op het keukenblad zie ik voorbereidingen voor een stamppot prei. Terwijl Harm ronduit verteld, word ik afgeleid door een foto van een jonge Rod Stewart met een door Keith Richard blauw geslagen oog. Ik vraag of het een foto van hem is.
 
Harm gaat nog wat dieper in op de armoedige omstandigheden waarin zijn voorouders leefden. Mensen werkten tot ze erbij neervielen, van zonsopgang tot zonsondergang. Persoonlijke vrijheid bestond niet. Het was werken of verhongeren. Een dag van een arbeider begon om vijf uur ’s ochtends met warm eten. Men at reuzel, eieren, brood, bruine bonen, spek, pannenkoeken en wat ze vonden: eikels werden op de kachel gedroogd en vermalen tot koffie. Eten voor onder werktijd namen ze gestapeld in aluminium pannetjes, onder de arm mee het veld op. Het water voor koffie werd uit de dichtstbijzijnde sloot of kanaal gehaald.

Veel gezinnen hadden wat kleinvee, zoals de Drentse kriel; het oudste kippenras op de wereld kon je laten scharrelen. Door een tekort aan levensmiddelen werden de turfstekers gedwongen te smokkelen uit Duitsland. De eerste levensbehoeften waren zout om te pekelen, drank en suiker. Ook werd er veel gestroopt. Wie gepakt werd, kocht de politie om.

Harm’s opa besloot op een dag naar Delfzijl te lopen om haring te vangen. Hij kon het goed verkopen en van de opbrengsten kocht hij een boot. De boot werd gebruikt voor transport van turf. Zo werd hij van veenarbeider schipper. Ook Harm’s vader, die al op zijn dertiende begonnen was als veenarbeider, werd schipper. Samen bezaten ze twee kleine zeilboten en later twee klippers. Harm ging op zes jarige leeftijd naar een schippersinternaat om later zijn vader en opa op te volgen. Hij vertelt mij trots te zijn op zijn familie. Heftige emoties overvallen hem nu. ‘Hier is heel veel gebeurd.’ Zijn stem klinkt luider. ‘Deze mensen hebben ons land opgebouwd!‘

Het is een zondagochtend in Amsterdam en ik bevind me in de woonkamer van mensen die ik niet ken. De televisie staat aan en ik kijk naar een programma van Geert Mak. Hij leidt me rond door de Nederlandse geschiedenis en opeens kijk ik naar het dorp waar ik opgroeide. Gelselaar was net als Emmen een onbewoonbaar moeras en men vreesde malaria. Generaties voorouders hebben hier gezwoegd om de woeste gronden te bewerken tot het huidige agrarische landschap. De trots van een boer zit in zijn bedrijf en in zijn landerijen, de zin in het doorgeven van zijn levenswerk. Binnenkort zal een lange traditie van boerenleven in onze familie eindigen, geen van mijn broers zal het boerenbedrijf voortzetten.

Dichtgespijkerde woningen kenmerken de omgeving en vormen de overgang van de stad naar mijn bos. Underlayment platen over deuren en ramen dekken de tochtige gaten. Verlaten tuinen woekeren en bladeren waaien op tegen de gevels. De natuur is reeds begonnen met opruimen wat wij niet meer aanraken. Ook Harm zal plaats maken voor het nieuwe.

Tekstbijdrage publicatie P.A.I.R. / verblijf 31 okt. – 6 nov. 09 / Emmen