DSCN6266_copy.jpg





 

Tekstbijdrage P.A.I.R. n.a.v. verblijf duo Louie+Jesse | 2011
www.peergroup.nl

In 2009 maakte ik voor het eerst kennis met de P.A.I.R. Ik verbleef een week in het Valtherbos bij Emmen, waar de P.A.I.R. was neergestreken op een zandverstuiving. Maurice Meeuwisse bewoonde de P.A.I.R. in de weken na mij. Mijn verblijf resulteerde in de tekst ‘In het begin zag ik niets’, over een bijzondere ontmoeting met een local. Die ene week bleek achteraf in het teken te staan van een kennismaking met de grond: waar kom je vandaag, welk beroep hadden je voorouders en wat was er te eten. Ik ontmoette Harm, afstammeling van een lange lijn veenarbeiders die zich in de regio kapot gewerkt hadden. Hij woonde in een afbraak woning aan de rand van het Valtherbos en kookte tijdens mijn bezoek stamppot prei met gebakken spek. Dankzij Harm en zijn verbondenheid aan de veengronden, kreeg de plek waar ik zelf opgroeide opnieuw betekenis. Ik ben Dinanda, mijn voorouders leefden op de grens van de Achterhoek en Twente en waren allemaal boer. Zij ontgonnen het land, maakten van het moeras bewerkbare grond. Rond mijn geboorte, eind jaren ’70, veranderde het gemengd bedrijf van mijn ouders in een boerderij met voornamelijk varkens. De melk bracht immers niks op in die tijd en er werd besloten het quotum te verkopen. Om deze reden haalde ik vroeger eens per week een melkbus rauwe melk bij de buurman, direct uit de tank en dan vijf gulden in het pannetje. De volgende dag roomden mijn broer en ik de melk af en maakten we er slagroom van. 

Het is juli 2011 en de P.A.I.R. staat voor een tweede maal bij het Ambonezenbosje in de gemeente Oldambt. Opnieuw met het kunstenaarsduo Louie+Jesse uit de United Kingdom. Het duo moest tijdens haar eerste werkperiode in de koude winter van 2010, werkelijk overleven en keert daarom nogmaals terug voor een re-P.A.I.R. Hoewel Louie+Jesse in hun eerste bezoek aan het Ambonezenbosje veel contacten hadden opgedaan, was het hen helaas niet gelukt in contact te komen met de Ambonese gemeenschap. Echter, op de afsluitende presentatie van hun eerste werkperiode, werden hun inspanningen toch nog beloond. Oud-kampbewoonster Andrea bezocht de P.A.I.R. 

Het Ambonezenbosje kent een bijzondere geschiedenis. Zo werd de Carel Coenraad Polder, waar het bosje zich bevindt, ingepolderd in 1924 en deed de locatie tussen 1945 en 1950 dienst als interneringskamp voor NSB-ers. Daarna, tussen 1953 en 1961, werd het kamp gebruikt voor de tijdelijke opvang van ongeveer 300 Ambonezen. Na de ontruiming van de Ambonese gemeenschap, werden de barakken afgebroken en daarvoor in plaats werd er bos aangeplant. Misschien als markering in het landschap om te memoreren, misschien om het pijnlijke te verbergen of te vergeten. Zo werd in de jaren ‘60 ook bos aangeplant bij voormalig kamp Westerbork. In de publicatie van de P.A.I.R. 2010 staat een vrije vertaling door Henry Alles van een citaat van Mike Pearson: ‘Maak geen onderscheid tussen het gewicht van de ene en de andere gebeurtenis die heeft plaatsgevonden. Neem alle gebeurtenissen mee en componeer hieruit een nieuw werk.’ Louie&Jesse namen dit citaat ter hand en gaven, door hun aanwezigheid, de plek een nieuwe betekenis.

Op 14 juni bezoek ik, samen met Henry, Louie+Jesse in de P.A.I.R. We krijgen lauwe linzen met spinazie te eten. Sober en voedzaam, ik hou daarvan. Het krijtbord achter Jesse staat vol met aantekeningen van ontmoetingen, verbonden aan ideeën. Ik vraag Jesse uitleg te geven. Flarden van ervaringen en overpeinzingen van alweer twee weken wonen en werken in de luwte van het bos weerkaatsen tegen de muren van de P.A.I.R. Jesse’s fragmentarische vertelstijl bleek achteraf treffender te zijn dan ik me op die avond in de P.A.I.R. realiseerde. Haar introductie hielp mij tijdens de eindpresentatie het werk beter te begrijpen.

‘I’m worried every day’, geeft Jesse te kennen. Henry staat op het balkon en stelt haar de vraag of ze begrijpt wat haar rol in dit project is. We belanden met zijn vieren in een gesprek over de betrokkenheid van de kunstenaar bij zijn/haar project op locatie, midden in de gemeenschap. Henry stelt voor de P.A.I.R. werkplaats, de onderste container, door oud-bewoners van het Ambozenbosje tot woonbarak om te laten bouwen: ‘geef ze hun plek terug’. Dit voorstel gaf discussie. Op welke manier wilde het duo betrokkenheid en van wie? Hadden ze dan nog controle over hun eindpresentatie? En hoe laat je een werkelijk gelijkwaardige situatie ontstaan, met ruimte om elkaar te bevragen? 

Op 30 juli bezoek ik de afsluiting van re-P.A.I.R. tijdens festival Hongerige Wolf. Bij het betreden van het bos valt mijn oog op een afgebroken boomstam, die beduidend dikker en ouder is dan de rest van het bos en er 50 jaar geleden ook bij was toen de Ambonezen zich verbonden aan deze poldergrond. Her en der in het bos zijn stokken geplaatst met geplastificeerde foto’s eraan. Het zijn zwart/wit foto’s van Indonesische mensen. 

Bij een foto met twee jonge meisjes houd ik stil en ontmoet daar Andrea, de oud-bewoonster van het kamp, in levende lijve. Zij staat samen met haar oudste zus op de foto, op dat moment 7 en 10 jaar oud. Ze poseerden voor barak A. Het is haar eigen initiatief om de foto’s in te brengen en we raken in gesprek. ‘Dit jaar is het 50 jaar geleden dat het kamp ontruimd werd, twee dagen voor de kerst. De laatste 20 gezinnen zijn met politiegeweld ontruimd. Wij wilden hier niet weg’. Andrea vertelt mij dat ze 9 jaar in het kamp gewoond heeft en dat het leven in een hechte gemeenschap fijn was nadat ze van Ambon vertrokken. Hier op de kale gronden van Oldambt vonden zij een nieuw thuis.

Ons gesprek vervolgt en er sluiten zich meer nieuwsgierige mensen aan. Andrea is een goede vertelster. ‘Wij kwamen het kamp amper uit, soms liepen we tot aan Dijkgat, de rest was te ver om te lopen. Op zaterdag reed er een bus naar Winschoten’. Een buurvrouw sluit ook aan en onderbreekt Andrea in haar verhaal: ‘Nu rijden hier helemaal geen bussen meer.’ Ik maak me los van de groep om mijn wandeling te vervolgen. Verderop passeer ik een opvallende kleurenfoto met daarop een gezelschap Ambonezen en 1 blank meisje.

Er wordt gezongen en gitaar gespeeld in het bos. Ik besluit erop af te gaan en tref midden in het bos een tentachtige opstelling aan, behangen met camouflage netten. Er is een projectie doek in opgehangen, waarop de film van het duo Louise&Jesse te zien is. Ik neem plaats. Een groep Indische vrouwen is voedsel aan het bereiden: rode peper, tomaat, lente ui, limoen en er wordt gesproken in een voor mij vreemde taal. Er verschijnt een blanke vrouw op beeld en ik vraag me af of zij het meisje op de kleurenfoto is. Naast haar zit een Indische vrouw, ze worden van elkaar gescheiden door kleurige doeken. De blanke vrouw geeft de groep Ambonezen les in rekenen en schrijven. De scène eindigt met beelden van etensresten in het bos, waar insecten zich over ontfermt hebben.  
                                                                                                                                  Een geluidsbewerking van Louie vormt een overgang naar de volgende scène. Er verschijnt een man met een hond. Jesse had al over hem verteld, over hoe hij zich op vreemde wijze verbonden voelt aan het bosje en daar zelf geen verklaring voor heeft. Hij komt hier iedere dag zijn hond uitlaten, helemaal vanuit Winschoten. De camera achtervolgt de man en zijn hond door het bos. Soms op hoogte van de mens, soms op hoogte van de hond. Ik beweeg mee door het bos. De man komt de hele scène niet in beeld tot het einde. Dan zien we hem en maken we even contact.            
                                                                     
Een harde knip volgt en we zien een groep mannen met een schop die zich verzamelt hebben voor het bosje. Ze lopen gezamenlijk naar de overzijde van de dijk, waar ze met hun laarzen in de modder staan. Ze doen alsof ze graven. Geluid van wind in de microfoon en vallende druppels in een emmer versterken het grauwe, grijze beeld. De mannen breken hun werk op en verplaatsen zich terug naar het bosje. hek aangekomen staan ze in een opstelling en voeren een choreografie uit die mij doet denken aan militairen. 

Dan volgt er een scène waarbij niet mensen de hoofdrol spelen, maar een kluit grond die wordt los gestoken van waar hij groeide. De kluit gaat in een kruiwagen, wordt honderden meters verplaatst en gaat vervolgens in een kistje achterop een fiets. Het geheel duurt best lang. Door een ritmisch geluid van tikkende wielen en klappende trappers gaat de factor tijd of tijdsloosheid een rol spelen. De kluit arriveert uiteindelijk op bestemming en wordt in de aarde op een ‘lege’ plek gevoegd. We keren daarna terug naar de Ambonezen gemeenschap in het bos, naar de vrouwen die het voedsel bereiden. Er is een uur verstreken en ik heb het gevoel een reis gemaakt te hebben door de tijd.

Het duo koos ervoor de film te monteren zonder begin of einde. Na de scène met de kluit loopte de film. Inhoudelijk speelt de kluit zeker geen onbelangrijke rol. Enerzijds verbeeldt het de reis van het Indonesische Ambon naar het Hollandse Oldambt en hij is ook betekenisvol wanneer we het hebben over verbondenheid aan grond. De film sloot mooi aan bij mijn wandeling langs de foto’s en de toevallige ontmoeting met Andrea eerder die middag in het bos. Het moment waarop ik in de film stapte, gepaard met de ontmoeting met Andrea, hebben mijn ervaring die middag gestuurd. Ik loop terug naar de P.A.I.R. met een rijk gevoel en voeg me bij Henry, Louie+Jesse en de andere bezoekers. Er is vuur, wijn en natuurlijk heerlijk eten. 

Tekst n.a.v. de werkperiode en presentatie van Louie+Jesse in de P.A.I.R. Ambonezenbosje in Oldambt. In opdracht van Henry J.Alles | 2011